zondag 26 juni 2022

De vonk van wat leeft

De vonk van wat leeft

Roert en draait

In ons zoeken

Roert en draait

En klapwiekt verschrikt

De molen om zijn as.

De vonk van wat leeft

Roert en draait

Om zijn as

Om zijn fluisteren en leegte

Om zijn vleugelslag die vult

De molen met graan.

Die verder maalt en wiekt.

De vonk wiekt de kaars kort.

En ontsteekt in zakken vol.


Hilde Droogné

Als het vuur een vaste baan gevolgd had

Als het vuur een vaste baan gevolgd had

En zich gehouden had aan het parcours,

Als het die opstijgbaan gevolgd was,

en gevlogen op tijd en stond

ontbrandde,

en terug geland, in dit dal.

Wat had dan anders kunnen zijn?

Of is het zoals er geen vaste baan bestond, verkennend zonder route,

Er dan net iets nieuws ontstond,

uit de as die het lam legde, iets nieuws,

Uit wat verdwenen was.

Iets nieuws.

 Ik zou hier willen blijven

In deze cocon van niets

Ik zou hier willen blijven

Me warmen aan deze stille leegte waarin niets hoeft.

Dit nest van eindeloze rust.

Terwijl de takken hevig zwiepen buiten, waar ik ze niet voorzie.

Ik zou hier willen blijven

De kou van hevig zwiepende takken verzwijgen nu het nog even kan.

Nog even niet hoeven uitvliegen,

Nog even niet hoeven proberen en bijdragen aan vele luchtspiegelingen.

Gewoon zijn en warmte voelen rondom mij die mij niet is,

noch door mij voortgebracht zal worden.

Gewoon zijn en versmelten met dit rustige nest

dat zich niet uit de takken laat wegwaaien.

Gewoon zijn, en de kou nog niet hoeven wegwaaien

met vleugels die niet wachten.

Het nest ontgroeit.

Ik zet me af en vlieg met open ogen.

Het is de stilte  van de storm die

Ik tegemoet vlieg.

Ik ben eindeloos rustig.

 

Hilde Droogné 

Is er nalatenschap?

Is er nalatenschap?

Is er as die blijft branden?

Een bel die blijft luiden?

Eer betoon zonder werk, dat teloor gaat, soms al meteen, nu meteen,

Of zoals het pak van de zoeker dat in de bomen hangt

Tot het ook verdwijnt.

En belt er iets dat overblijft in de velden

en op het land en in de stad.

En belt het hier in deze avond

In de as die smeult in jouw hart dat nu nog laat

ontbranden

En toont het zich, stilaan, hier samen, wij

Na de as, flikkert het op.

Loopt het met een vlam ervandoor

En zet het zich sprankelend in jou te rusten

Veilige schaal om over te dragen.

Ik zou hier willen blijven

In deze cocon van niets

Ik zou hier willen blijven

Me warmen aan deze stille leegte waarin niets hoeft.

Dit nest van eindeloze rust.

Terwijl de takken hevig zwiepen buiten, waar ik ze niet voorzie.

Ik zou hier willen blijven

De kou van hevig zwiepende takken verzwijgen nu het nog even kan.

Nog even niet hoeven uitvliegen,

Nog even niet hoeven proberen en bijdragen aan vele luchtspiegelingen.

Gewoon zijn en warmte voelen rondom mij die mij niet is,

noch door mij voortgebracht zal worden.

Gewoon zijn en versmelten met dit rustige nest

dat zich niet uit de takken laat wegwaaien.

Gewoon zijn, en de kou nog niet hoeven wegwaaien

met vleugels die niet wachten.

Het nest ontgroeit.

Ik zet me af en vlieg met open ogen.

Het is de stilte  van de storm die

Ik tegemoet vlieg.

Ik ben eindeloos rustig.

 

Hilde Droogné 

Als de vlam jouw bekruipt

 Als de vlam jouw bekruipt,

Jouw werk bekruipt,

Als het zich eerst voorzichtig, schuchter nog

nodigt in alle hoeken van jouw kamer,

Alle hoeken van jouw woonst,

Alle hoeken van jouw vel,

Als het er steeds feller

licht doet ontbranden

zonder nog uit te willen doen.

Niet meer luistert. Geen schakelaar nog nodig,

die stilaan mee vuurwerkt.

Als het zich dan zo stevig met dit alles verstrengelt

Dan is het,

Als het jouw in vuur en vlam zet,

Voorbij.

Ik zou hier willen blijven

In deze cocon van niets

Ik zou hier willen blijven

Me warmen aan deze stille leegte waarin niets hoeft.

Dit nest van eindeloze rust.

Terwijl de takken hevig zwiepen buiten, waar ik ze niet voorzie.

Ik zou hier willen blijven

De kou van hevig zwiepende takken verzwijgen nu het nog even kan.

Nog even niet hoeven uitvliegen,

Nog even niet hoeven proberen en bijdragen aan vele luchtspiegelingen.

Gewoon zijn en warmte voelen rondom mij die mij niet is,

noch door mij voortgebracht zal worden.

Gewoon zijn en versmelten met dit rustige nest

dat zich niet uit de takken laat wegwaaien.

Gewoon zijn, en de kou nog niet hoeven wegwaaien

met vleugels die niet wachten.

Het nest ontgroeit.

Ik zet me af en vlieg met open ogen.

Het is de stilte  van de storm die

Ik tegemoet vlieg.

Ik ben eindeloos rustig.

 

Hilde Droogné  

Er is iets

Er is iets

Iets dat wacht

Ik weet niet wat het is,

Maar het wacht, op mij, op jou, op tijd

Ik wil het weten,

Ik neem de tijd, en wacht,

En hoor dat het niet om weten gaat.

Het gaat om liggen, lachen,

Het gaat om toelaten,

Het gaat om veel wat wij niet verstaan,

Het gaat om veel wat wij niet toestaan.

Maar als we liggen, lachen, toelaten, dan komt het.

Dan komt het uit onze goed opgeborgen dozen

Dan komt het uit onze oude archieven,

Dan legt het zich zacht in onze ogen

lost het op in onze handen

En zien wij dat wij toelaten

Onze handen reiken uit,

vullen zich, verzamelen schatten uit kostbare tijd

en reiken uit.

Iets dat wachtte is niet meer.

Het is vervuld, staat.

 Ik zou hier willen blijven

In deze cocon van niets

Ik zou hier willen blijven

Me warmen aan deze stille leegte waarin niets hoeft.

Dit nest van eindeloze rust.

Terwijl de takken hevig zwiepen buiten, waar ik ze niet voorzie.

Ik zou hier willen blijven

De kou van hevig zwiepende takken verzwijgen nu het nog even kan.

Nog even niet hoeven uitvliegen,

Nog even niet hoeven proberen en bijdragen aan vele luchtspiegelingen.

Gewoon zijn en warmte voelen rondom mij die mij niet is,

noch door mij voortgebracht zal worden.

Gewoon zijn en versmelten met dit rustige nest

dat zich niet uit de takken laat wegwaaien.

Gewoon zijn, en de kou nog niet hoeven wegwaaien

met vleugels die niet wachten.

Het nest ontgroeit.

Ik zet me af en vlieg met open ogen.

Het is de stilte  van de storm die

Ik tegemoet vlieg.

Ik ben eindeloos rustig.

 

Hilde Droogné